Schoorvoetend richting dansvloer

Christophe Vekeman
vrijdag 30 april 2021 om 3.25 uur
Artwork

Waarschijnlijk ligt het ook aan mijn opvoeding en vroege jeugd. Wie in zijn hoedanigheid van enig kind opgroeit in een gezin dat slechts zelden de avond verstoord ziet door de klank van de deurbel, alsook onder de hoede van een moeder die, wanneer het geluid in kwestie dan toch eens plotseling te horen valt, zeg zo om de paar maanden, onveranderlijk de handen hoog boven het hoofd gooit en getergd 'Wie kan dát nu weer zijn?' uitroept, zal wel nooit hypersociaal in het leven komen te staan, veronderstel ik. In elk geval is het een feit dat ik mij nooit ontwikkeld heb tot een gezelschapsdier van de bovenste plank, en onverwacht bezoek moet inderdaad al van heel goeden huize zijn om mijn glimlach in de deuropening een zweem van oprechtheid te kunnen verlenen.

Dat is er met het ouder worden geenszins op verbeterd, en het afgelopen jaar heeft er al helemaal, vrees ik, geen goed aan gedaan. Ik wil zeker niet zover gaan om te beweren dat de coronaregels mij naar mijn gevoel verwend hebben, want dat zou veel en veel te positief klinken. 'Bedorven' is een beter woord. Ik weet mij bedorven.

Ik verklaar mij zo meteen nader, maar laat mij eerst en vooral toch even heel duidelijk stellen dat ik echt wel uitkijk naar de definitieve wederopstanding van onze samenleving, en bijgevolg de onlangs afgekondigde versoepelingen alleen maar uit volle borst toejuich. Ik wil eind mei met mijn nieuwe literaire worp de hort op en zo veel mogelijk boekhandels op stelten zetten, ik wil podia beklimmen en er bergen plezier op beleven, en ik kan daarnaast niet wachten tot ik zelf in de zaal zit of sta: als het op dit moment reeds drie keer na elkaar uitgestelde concert van Midland in de Melkweg eindelijk dan toch een keer zou doorgaan, ooit, dan zweer ik dat ik nog met een gebalde vuist 'bis!' zal staan roepen als de bandleden zelf zich allang weerom in hun hotel 10 kilometer verderop bevinden. Op 8 mei, dan weer, zal ik met mijn zakken vol fooi de hele ochtend lang de grote Jan uithangen aan alle tafels die de stad voor mij in petto heeft, rond de middag reeds de hoogte hebben en tegen een uur of drie goed dronken zijn, waarna ik koers zal zetten naar het terras van De Buffel, dat zich op kruipafstand van mijn woning bevindt. Een deel van mij kan niet wachten, ik meen het.

Tezelfdertijd heb ik – of heeft een ander deel – er bij momenten geen idee van hoe ik het in hemelsnaam toch allemaal moet klaarspelen, en hoe ik het meer bepaald indertijd allemaal klaargespeeld heb. Als ik het mij goed durf te herinneren, waren er tot voor een maand of veertien immers avonden waarop ik tientallen en nog eens tientallen mensen groette, sprak, gezondheid toeklonk en vaak zelfs – stel je voor – kuste, de ene na de andere, mensen die ik natuurlijk wel kende, maar die ik al even vanzelfsprekend niet tot mijn hechte vriendenkring rekenen kon. Sterker nog, als het mij nog juist voor de geest staat, vonden zulke avonden met regelmaat meermaals per week plaats: de ene verjaardagspartij was nog niet voorbij of de volgende boekpresentatie was alweer bezig, terwijl in de tussentijd ook nog mijn kozijn was getrouwd en er een heel groot buurtfeest aangericht werd om de start van het nieuwe seizoen te vieren, desnoods het nieuwe tússenseizoen. Hoe hield ik dat vol, hoe dien ik dat in godsnaam straks weer voor elkaar te krijgen?

'Je stampte met je voet op de grond en er was een feest', schreef Remco Campert in 1956. Dat klinkt vrolijk genoeg, maar hoe zal het zijn wanneer de 'zomer zonder zorgen', om eerste minister De Croo te citeren, in gang geschopt wordt door een bevolking die al vele maanden lang haast onbedwingbaar, zelfs dwangmatig bezig is te stampvoeten en trappelen, niet van levensvreugde maar van ongeduld? Ik weet niet zeker of ik het moment waarop 'de samenleving aan de mensen teruggegeven wordt', om nu weer woorden van minister van Welzijn Wouter Beke te lenen, met onverdeelde geestdrift tegemoet zie, als ik eerlijk ben.

Hecht ik dan niet aan de vrijheid? Natuurlijk wel, zeer zeker. Het punt is veeleer dat corona mij geleerd heeft wat ik in wezen altijd al, als het ware stiekem, heb geweten: dat het soms erg comfortabel is om de keus niet te hebben, en dat 'leven in plaats van geleefd worden' net iets beter lukt wanneer het aantal goede redenen om de deur uit te gaan eerder aan de beperkte kant is.

Het zal kortom wennen worden. Ik ben – nogmaals, vergis je niet – waarlijk blij en gelukkig dat wij ons weer richting dansvloer bewegen. Maar ook wel dankbaar dat het voetje voor voetje gebeurt.

Christophe Vekeman is auteur. In deze rubriek wikt hij de wereld.
Verschenen op vrijdag 30 april 2021